In de Servische krant Borba van 2/3 oktober 1993 publiceerde Radio Brod-redactrice Jasmina Teodosijević een persoonlijk verslag van haar drie maanden aan boord van het zendschip voor de kust van het voormalige Joegoslavië. Zelfs tientallen jaren na de verschrikkingen van de Balkanoorlog zijn haar herinneringen nog altijd aangrijpend en verrassend actueel.
“Jullie radio heeft mij doen beseffen dat niet ík gek ben omdat ik geen oorlog wil, maar degenen die oorlog willen.”
Zo verwoordde een van de vele vluchtelingen uit het voormalige Joegoslavië, die tot de trouwste luisteraars van Radio Brod behoorden, zijn gevoelens.
Door Jasmina Teodosijević
Twee dagen nadat ik van zee ben teruggekeerd, na drie maanden aan boord van Radio Brod, is er één ding dat ik boven alles mis: de zee. Daarom weet ik eigenlijk niet waar ik dit verhaal moet beginnen. Bij de geur van de haven van Bari en mijn eerste kennismaking met het schip dat tegelijk ons huis, onze redactie, ons restaurant, onze ziekenboeg, ons strand en onze boulevard werd?
Of midden in het verhaal – tijdens een nacht met volle maan, toen noch de Bora noch de Jugo [de twee overheersende en tegengestelde hoofdwinden langs de Kroatische Adriatische kust] de zee in beweging brachten, maar een diepere, geheimzinnige kracht het water vanuit de diepte omhoog trok en dit wonderlijke, voortdurend veranderende wezen zachtjes liet deinen, terwijl ik aan dek met Darko Rundek over Boelgakov sprak?
Of misschien juist aan het einde: enkele dagen geleden, toen ik het schip bij zware zee verliet, vanuit een kleine rubberboot overstapte op een jacht en mij nog eenmaal omdraaide. Voor het eerst zag ik de enorme, visachtige boeg van het rood-blauwe stalen schip dat voor korte tijd onze eigen microkosmos, ons drijvende eiland en onze laatste Ark van Noach was geweest.
De vijfenzestig meter lange “stalen vis” was oorspronkelijk gebouwd als ijsbreker. Later werd zij uitgerust met kranen en wetenschappelijke apparatuur voor oceanografisch onderzoek in het Noordpoolgebied. Vervolgens kreeg zij een tweelaagse witte opbouw met extra hutten toen zij voor de Afrikaanse kust onder de naam Cariboo dienstdeed als bevoorradingsschip voor olieplatforms.
Nog niet zo lang geleden werd zij, voorzien van een antennemast van vijftig meter hoog, generatoren en de volledige technische uitrusting van een middelgroot radiostation, naar de Adriatische Zee gestuurd. Het schip was nu eigenlijk noch een echt schip, noch een radiostation, noch vis, noch vlees, en droeg de naam Droit de Parole, genoemd naar de organisatie die Radio Brod had opgericht.
Vragen over de rechtmatigheid en de vlag van dit in wezen “piratenradiostation” laten wij graag over aan de oprichters ervan. Hetzelfde geldt voor hun streven om, op basis van de ervaringen van Radio Brod, de internationale omroepregelgeving te veranderen.
Ons doel aan boord van Radio Brod was immers een heel ander. Het voortdurend wisselende team van vijftien mensen – zeven journalisten, twee geluidstechnici, twee vertalers, twee producers en twee muziekredacteuren uit Sarajevo, Belgrado, Zagreb, Podgorica, Split en Ljubljana – was er om één enkele reden: eerlijk zijn werk te doen en een zo goed mogelijk radioprogramma te maken.
Was dat eigenlijk wel mogelijk? Op een schip dat ronddreef of voor anker lag in zijn eigen maritieme wereld tussen Bari en Lastovo – tenzij de Bora ons, zoals eenmaal gebeurde, ver de Adriatische Zee op joeg, richting de kust van Montenegro. Op heldere dagen konden we van daaruit Mljet, Korčula, Lastovo, de witte stip van Dubrovnik en de bergen van Montenegro onderscheiden.
Van echt ankeren was eigenlijk geen sprake. Ons anker reikte slechts twintig meter diep, terwijl de zee onder ons bijna een kilometer diep was. Daar werd je je voortdurend van bewust – wanneer je zwom, maar evenzeer wanneer je werkte.
We waren aangewezen op ons eigen inzicht én op een uitgebreid netwerk van mensen aan de wal die het programma hielpen dragen: uitstekende correspondenten in Sarajevo, Podgorica, Split, Belgrado, Ljubljana, Skopje, Zagreb, Washington, Brussel en Genève. In het bijzonder wil ik de onvermoeibare en altijd energieke Jelena Lovrić noemen. Daarnaast waren er vrienden en collega’s die ons informatie, achtergrond en advies verschaften, naast de persbureaus, het afluisteren van andere radiostations en alle andere mogelijke manieren om aan nieuws te komen.
De vraag die buitenlandse journalisten – die Radio Brod vanwege zijn bijzondere uitstraling bijna belegerden – ons het vaakst stelden, luidde:
“Hoe is het mogelijk dat jullie – moslims, Serviërs, Kroaten en anderen – hier vreedzaam samenleven en samenwerken, terwijl jullie landen in oorlog zijn?”
Die vraag verbaasde ons telkens weer. Juist daarom waren we immers hier: omdat we wilden samenleven en samenwerken. Voor ons was dat de vanzelfsprekendste zaak van de wereld.
Hoe hadden we deze mensen moeten uitleggen dat het enige waarover aan boord werkelijk ruzie werd gemaakt de telefoon was? Zijne Majesteit de telefoon – ons onmisbare werkinstrument, waarmee reportages werden opgenomen, interviews werden afgenomen en het contact met de buitenwereld werd onderhouden.
Het uitzendschema was intensief: vier uur ochtendprogramma, drie uur middagprogramma, doorlopende nieuwsbulletins, muziekprogramma’s, uitzendingen voor UNPROFOR en natuurlijk het grote avondjournaal om 21.30 uur. Onze technische mogelijkheden daarentegen waren uiterst beperkt.
De redactie bestond uit één enkele ruimte op de bovenverdieping van de opbouw: acht bij vijf meter groot, ingericht met twee mobiele telefoons die waren aangesloten op een Revox-bandrecorder, een satelliettelefoon, zes bureaus, twee computers, twee koffiezetapparaten – waarvan er één defect was –, een archiefkast, een gootsteen, een eveneens kapotte vaatwasser en een zithoek waar onafgebroken “republikeinse schaakkampioenschappen” werden uitgevochten tussen de teams uit Servië, Montenegro, Kroatië, Slovenië en Bosnië-Herzegovina.
Tijdens een van onze verblijven in Bari kregen we bezoek van de jonge Sarajevaar Edo en zijn vrouw Nadira. Samen met hun zoontje, toen nog maar één maand oud, waren zij uit het belegerde Sarajevo gevlucht en hadden zij in Bari een bescheiden nieuw bestaan opgebouwd.
Jong, intelligent en bekwaam wachtten zij eenvoudigweg op betere tijden.
Edo zei:
“Ik luister regelmatig naar Radio Brod en ik houd van jullie allemaal. Op jullie zender hoor ik mensen uit alle delen van het voormalige Joegoslavië die nog altijd bereid zijn over vrede en verdraagzaamheid te spreken, die verstandige en menselijke dingen zeggen in plaats van haat te zaaien. Jullie radio heeft mij doen beseffen dat niet ík gek ben omdat ik geen oorlog wil, maar degenen die oorlog willen.”
Diezelfde vastberadenheid om niet aan haat toe te geven sprak ook uit de woorden van een jonge vrouw uit Mostar, die door journalist David Bellon werd geïnterviewd tijdens een van de zeldzame bezoeken aan de belegerde stad. Terwijl om haar heen granaten insloegen, probeerde zij haar driejarige zoontje zachtjes gerust te stellen.
Haar vader was twee weken eerder voor de deur van zijn huis doodgeschoten. Haar echtgenoot was sinds het uitbreken van het Kroatisch-moslimconflict op 9 mei spoorloos verdwenen.
Om te kunnen overleven, vertelde zij, had zij zichzelf gedwongen niet langer te voelen. Nu vreesde zij nog slechts één ding: dat zij, wanneer deze nachtmerrie ooit voorbij zou zijn, helemaal niets meer zou kunnen voelen – en misschien nooit meer zou kunnen liefhebben.
De reportages uit Mostar behoorden tot de meest aangrijpende uitzendingen die ik ooit op Radio Brod heb gehoord én gepresenteerd.
Een bijzonder onvergetelijk verslag kwam van de Britse journaliste Charlotte Eagar, die enige tijd te gast was aan boord van Radio Brod. Zij vertelde over haar bezoek aan een geïmproviseerd ziekenhuis in de kelder van een gebouw in Mostar, waar zij een negenjarig meisje naast haar gewonde broer zag liggen.
Half buiten bewustzijn trok het meisje met haar enige ongewonde hand een deken over haar lichaam, nadat een arts die had teruggeslagen om de aanwezige journalisten haar verwondingen te laten zien.
“Dat eenvoudige gebaar van menselijke schaamte,” zei Charlotte, “zal ik nooit vergeten.”
Op een heel andere manier stemde ook een uitzending uit de serie “Mensen op andere adressen” verdrietig. Daarin kwamen de vooraanstaande filmregisseurs Rajko Grlić, Srđan Karanović – beiden inmiddels werkzaam in de Verenigde Staten – en Goran Marković, die in zijn vaderland was gebleven, aan het woord.
Op de vraag wanneer zij weer films verwachtten te maken, antwoordden zij alle drie met zo’n diepe scepsis dat het verlies aan creativiteit en intellectuele energie zelf een symbool leek te zijn geworden van onze tijd.
In een gesprek met mijn collega Ines Sabalić stelde Janusz Bugajski van het Amerikaanse Institute for Strategic Studies dat Slobodan Milošević om zowel binnenlandse als buitenlandse politieke redenen had besloten af te rekenen met Vojislav Šešelj [nationalistisch Servisch politicus en leider van de uiterst rechtse Servische Radicale Partij (SRS)]. Tot die redenen behoorden volgens hem niet alleen de hoop op opheffing van de internationale sancties, maar ook de verwachtingen omtrent de politieke ontwikkelingen in Rusland.
Toen wij via een gesprek met Mirko Klarin in Brussel vernamen dat aan boord van het vliegdekschip Invincible een belangrijke bijeenkomst plaatsvond, opperde iemand zelfs het idee om er met ons eigen bootje naartoe te varen.
In plaats daarvan brachten wij de dag door met telefoongesprekken naar het NAVO-hoofdkwartier in Napels, het Britse Ministerie van Defensie, het hoofdkwartier van de Royal Navy, het Foreign Office en ten slotte het kantoor van [Thorvald] Stoltenberg in Zagreb.
Dankzij onze correspondenten in Zagreb, Belgrado en Split slaagde Radio Brod er desondanks in om aan het einde van deze spannende en onzekere dag verslag uit te brengen.
Hetzelfde gold voor onze rechtstreekse uitzendingen vanuit Genève, Brussel en Washington.
Opmerkelijk genoeg waren er aan boord maar weinig politieke discussies. Er werd zeker gedebatteerd, soms zelfs fel, maar altijd met een opmerkelijke mate van verdraagzaamheid en begrip voor elkaars levensverhaal. Ieder bemanningslid droeg een persoonlijk verhaal met zich mee dat gemakkelijk de stof had kunnen vormen voor een roman.
Nino [Nikifor Simsić] had zijn vrouw en kinderen nog altijd in Sarajevo, en regelmatig bleef hem tijdens de lunch de hap in de keel steken.
Mirna [Imamović] probeerde zich in een onbekende wereld een nieuw bestaan op te bouwen en zocht onvermoeibaar naar een land waar zij zich voorgoed zou kunnen vestigen.
Kostas‘ [Konstantin Jovanović] vrouw en kinderen waren vluchtelingen in Kroatië, terwijl zijn moeder alleen iets van hem kon vernemen door in Teslić naar Radio Brod te luisteren.
P. [Petar Savić] had zojuist zijn oproep voor militaire dienst ontvangen.
S. [een andere collega] probeerde al zijn ambities tegelijk waar te maken.
Tijdens mijn eerste dagen aan boord kreeg ik zelfs een discussie met Ines over de taal. Zij vond dat ik haar taal Kroatisch en de mijne Servisch moest noemen, en dat beide talen niet hetzelfde waren.
Voor mij bleef het echter vanzelfsprekend dat wij dezelfde taal spraken en elkaar moeiteloos verstonden.
Gaandeweg leerde zij mij dat de kleine scheepsmotor een “šotel” werd genoemd, dat een hut nooit een “kamer” mocht heten en dat de loopplank uitsluitend bekend stond als de “siz”.
Toen wij afscheid namen, gaf zij mij een oude foto van Virginia Woolf, die wij ergens aan boord samen hadden gevonden.
Op de achterkant had zij geschreven: “Van Ines – ter inspiratie.” En daaronder, in aarzelend Cyrillisch handschrift van iemand die het schrift nauwelijks beheerste: “En een goede reis.”
[Opmerkingen van Martin van der Ven, in cursief weergegeven]
Lees: Radio Brod – Vrijheid van meningsuiting in de Adriatische Zee